Theorie

De cursus in leervolgorde, per module.

Start: het examen en je rijbewijs

Hoe het theorie-examen werkt, hoe u het slim aanpakt en welke weg u daarna aflegt naar het rijbewijs: voorlopig rijbewijs, begeleider, papieren en verzekering.

  • Het examen en je strategie

    Het theorie-examen is kort en strak getimed: 50 vragen, 15 seconden per vraag nadat de vraag is voorgelezen. Wie het format, de puntentelling en de valkuilen kent, slaagt veel makkelijker. Hier leest u hoe u het slim aanpakt.

    7 min lezen· 0 oefenvragen

  • Rijbewijs, papieren en verzekering

    Op weg naar uw rijbewijs kiest u een traject met of zonder begeleider. Als bestuurder hebt u altijd de juiste papieren bij en een BA-verzekering. Na een ongeval volgt u een vaste volgorde.

    11 min lezen· 25 oefenvragen

Borden, markeringen en lichten

Alle verkeerstekens lezen en in de juiste rangorde toepassen: verkeersborden per categorie, wegmarkeringen, verkeerslichten en bevelen van bevoegde personen.

  • Verkeersborden

    Vorm en kleur vertellen u al veel: driehoek is gevaar, rond rood is verbod, rond blauw is gebod. Hier staan de borden die het vaakst op het examen komen, met de onderborden die hun betekenis veranderen.

    9 min lezen· 20 oefenvragen

  • Gevaarsborden (A)

    Een gevaarsbord is een driehoek met een rode rand en de punt naar boven. Het waarschuwt u voor een gevaar: u moet voorzichtiger rijden en uw snelheid aanpassen.

    8 min lezen· 25 oefenvragen

  • Verbods- en gebodsborden (C en D)

    Een rond bord met rode rand verbiedt iets, een rond blauw bord verplicht iets. Hier leert u de belangrijkste C- en D-borden, wat de onderborden voor fietsers en bromfietsers betekenen, tot waar een verbod geldt en hoe u een fietspad met bord van een gemarkeerd fietspad onderscheidt.

    10 min lezen· 25 oefenvragen

  • Aanwijzings-, zone- en onderborden

    Aanwijzingsborden zeggen u waar u bent en welke regels daar gelden. Zonale borden gelden in een hele zone tot het eindebord, en onderborden bepalen wanneer, waar en voor wie een bord geldt.

    13 min lezen· 25 oefenvragen

  • Wegmarkeringen, verkeerslichten en bevoegde personen

    Strepen op het wegdek, lichten en agenten geven u bevelen. Leer wat elk teken betekent en welk teken wint als ze elkaar tegenspreken.

    11 min lezen· 25 oefenvragen

Plaats op de weg, snelheid en inhalen

Waar u rijdt, hoe snel en hoe u inhaalt, kruist en uw voertuig neerzet: de regels die u bij elke rit gebruikt.

  • Plaats op de weg

    Waar u op de weg rijdt, bepaalt of u veilig en voorspelbaar bent. Deze les behandelt rechts houden, rijbanen en rijstroken, voorsorteren, de rotonde, de autosnelweg, de file, eenrichtingsstraten en de banen voor bus en tram.

    13 min lezen· 25 oefenvragen

  • Snelheid

    Snelheidslimieten verschillen per wegtype en per gewest. Een fout op een vraag over de maximumsnelheid is op het examen een zware fout (5 punten). Deze les geeft de limieten, de zones, de geldigheid van de borden, de stopafstand en de sancties.

    11 min lezen· 20 oefenvragen

  • Inhalen en kruisen

    Inhalen gebeurt links, met voldoende zicht, voldoende zijdelingse afstand en zonder anderen te hinderen. Op een aantal plaatsen is het verboden; de zwaarste gevallen zijn overtredingen van de derde en vierde graad.

    9 min lezen· 20 oefenvragen

  • Stilstaan en parkeren

    Stilstaan is kort en functioneel, parkeren is alles wat langer duurt. Ken de afstanden, de plaatsen waar u nooit mag staan en de borden E1 tot E11.

    10 min lezen· 20 oefenvragen

Voorrang en medeweggebruikers

Wie mag eerst, en hoe u voetgangers, fietsers en andere kwetsbare weggebruikers veilig laat passeren.

  • Voorrang

    Wie mag eerst? De voorrangsregels bepalen op elk kruispunt wie doorrijdt en wie wacht. Ken de rangorde, de voorrang van rechts, de manoeuvres en de uitzonderingen.

    9 min lezen· 20 oefenvragen

  • Kwetsbare weggebruikers

    Voetgangers en fietsers hebben geen koetswerk. De wegcode legt u extra voorzichtigheid op, met specifieke regels aan zebrapaden en fietsoversteekplaatsen, bij bus- en tramhaltes, in fietszones en rond scholen.

    9 min lezen· 20 oefenvragen

Bestuurder, voertuig en omstandigheden

Fit achter het stuur, een veilig uitgeruste wagen, aangepast rijden bij slecht weer en in de nacht, en zuinig rijden.

  • Rijgeschiktheid

    Alcohol, drugs, gsm, vermoeidheid, geneesmiddelen en ziekte verminderen uw aandacht en reactie. De grenzen zijn strikt en de controles streng: vanaf 0,5 promille of een positieve speekseltest volgt altijd 12 uur rijverbod.

    8 min lezen· 20 oefenvragen

  • Voertuig en uitrusting

    Een veilig voertuig is een voertuig waarmee u gezien wordt, goed grip hebt en bij pech correct reageert. Hier leert u de lichten en de claxon, de banden, de vier verplichte uitrustingsstukken, de lading, de massa's en het rijbewijs B, de rijhulpsystemen, de keuring en de dashboardlampjes.

    12 min lezen· 25 oefenvragen

  • Rijden in bijzondere omstandigheden

    Bij slecht zicht, een gladde weg of drukte past u uw lichten en snelheid aan. Achtermistlichten mogen enkel bij zicht onder ongeveer 100 m of felle regen. Bij pech signaleert u uw voertuig met de gevarendriehoek en draagt u op autosnelweg en autoweg een fluovest zodra u uitstapt. Voor hulpdiensten maakt u altijd onmiddellijk de weg vrij.

    13 min lezen· 25 oefenvragen

  • Milieu en zuinig rijden

    Zuinig rijden spaart geld, vermindert uitstoot en maakt u veiliger. Hier leert u de rijtechniek, wat een lage-emissiezone is, welke brandstof het minst vervuilt en welke gewoontes uw verbruik verhogen.

    8 min lezen· 25 oefenvragen