Start: het examen en je rijbewijs
Het examen en je strategie
Het theorie-examen is kort en strak getimed: 50 vragen, 15 seconden per vraag nadat de vraag is voorgelezen. Wie het format, de puntentelling en de valkuilen kent, slaagt veel makkelijker. Hier leest u hoe u het slim aanpakt.
7 min lezen
Na deze les kan je
- Het examenformaat kennen: 50 vragen, 15 seconden per vraag (na het voorlezen), slagen vanaf 41/50.
- Uitleggen hoe de puntentelling werkt: een gewone fout of onbeantwoorde vraag kost 1 punt, een zware fout 5 punten, en twee zware fouten volstaan om te zakken.
- Vragen zorgvuldig lezen: let op woorden als 'mag', 'moet', 'altijd' en op wie er in de vraag bedoeld is.
- Een studieplan opstellen met herhaling en oefenexamens tot u stabiel 45/50 haalt zonder zware fouten.
- De regionale verschillen kennen: het gewest in de vraag of op het bord bepaalt welke regel geldt, en waar u woont bepaalt uw traject naar het rijbewijs.
- Weten dat bordvragen het bord als beeld tonen en nooit als code, en de borden dus op zicht herkennen.
Borden in deze les
Zo ziet het examen eruit
Het theorie-examen bestaat uit 50 meerkeuzevragen. De vragen gaan over echte verkeerssituaties, staan op een scherm en worden voorgelezen. U hebt 15 seconden om te antwoorden, nadat de vraag is voorgelezen. Dat is weinig, dus u moet de regel kennen en niet pas uitrekenen.
Bij elke vraag kiest u het juiste antwoord uit twee of drie opties (A, B, C). Boven de vraag staat een foto van een echte verkeerssituatie, een close-up van een verkeersbord of een schema van een kruispunt. Bij bordvragen ziet u het bord altijd als beeld: als close-up bovenaan, of als drie borden die zelf de antwoordopties zijn. Een bordcode zoals A7b of
C43 komt op het examen nooit voor, niet in de vraag en niet in de antwoorden. Codes zijn alleen een hulpmiddel in de les en in de bordenbibliotheek; leer dus het beeld herkennen, niet de code.
U begint met 50 punten. Een fout antwoord kost 1 punt, en een onbeantwoorde vraag kost ook 1 punt. Laat een vraag dus nooit leeg: gokken is beter dan niets invullen.
- 50 vragen
- 15 seconden per vraag, na het voorlezen
- Slagen vanaf 41 op 50
- Een gewone fout of onbeantwoorde vraag kost 1 punt, een zware fout kost 5 punten
Zware fouten: de grootste valkuil
Niet elke fout weegt even zwaar. Een fout op een vraag over een zware overtreding (3e of 4e graad volgens het KB van 30/9/2005) of over de toegelaten maximumsnelheid kost 5 punten in plaats van 1.
De rekensom is hard. Met één zware fout hebt u 45 punten over: u kunt dan nog hoogstens 4 gewone fouten maken om op 41 te blijven. Met twee zware fouten hebt u nog maximaal 40 punten: u zakt, ook als al het andere juist is.
Voorbeelden van onderwerpen waar een fout zwaar telt: door rood licht rijden, het bevel van een bevoegd persoon negeren, de voorrang van een tegenligger niet geven bij links afslaan (3e graad), geen gordel dragen of een kind zonder kinderzitje vervoeren (art. 35.1.1, 3e graad), of een te hoge snelheid. Een fout op een vraag over de gordel of over kinderzitjes kost dus 5 punten. Leer deze regels dus extra goed, en niet alleen 'ongeveer'.
Opgelet: in dit programma zijn vragen over alcohol en drugs niet automatisch als zware fout gemarkeerd, omdat dit nog door een verkeerskundige wordt nagekeken. Ga er op het echte examen niet vanuit dat ze licht tellen. Wat een onbeantwoorde vraag over een zware overtreding kost, is officieel niet bepaald; beantwoord dus elke vraag.
Lees de vraag, niet wat u verwacht
Veel kandidaten zakken niet door onkunde, maar door slordig lezen. Met 15 seconden is er tijd voor één zorgvuldige leesbeurt, niet voor twee.
- 'Mag' en 'moet' zijn verschillend: iets wat mag, is niet verplicht.
- 'Altijd' en 'nooit' zijn sterke woorden. Meestal bestaat er een uitzondering, dus het antwoord is zelden 'altijd'.
- Kijk wie bedoeld wordt: u als bestuurder, de tegenligger, de fietser, de voetganger of het voertuig op de foto. Soms gaat de vraag over een andere bestuurder dan u.
- Let op de plaats: binnen of buiten de bebouwde kom, op een autosnelweg, op een rotonde.
- Luister goed naar de hele vraag en kijk naar de situatie op het scherm voor u een antwoord kiest.
- Bij een bord kijkt u naar vorm, kleur en symbool: rond met rode rand is een verbod, driehoek met rode rand is gevaar, blauw rond is een gebod. De code staat nergens op het scherm.
Twijfelt u? Sluit eerst de onmogelijke opties uit en kies dan de optie die de wet volgt.
Een studieplan dat werkt
Lezen alleen is niet genoeg. Wat u onthoudt, hangt af van hoe vaak u het herhaalt en hoe u het oefent.
- Werk de cursus per onderwerp door, in korte blokken van 20 tot 30 minuten.
- Maak na elke les de oefenvragen van dat thema.
- Herhaal de fout beantwoorde vragen na een dag, na een week en na een maand. Zo gaat de regel naar uw langetermijngeheugen.
- Maak vanaf de tweede week regelmatig een volledig oefenexamen van 50 vragen, met de tijdslimiet van 15 seconden.
- Noteer bij elke fout waarom het fout was: een regel niet gekend, of de vraag verkeerd gelezen?
Uw doel is niet 41, maar stabiel 45 op 50 zonder zware fouten, in meerdere oefenexamens na elkaar. Dan hebt u marge voor de stress op de examendag.
Regionale verschillen
De wegcode is federaal, maar enkele regels en de weg naar het rijbewijs verschillen per gewest. Op het examen en op de weg geldt het gewest dat in de vraag of op het bord aangegeven is. Waar u uw rijbewijs aanvraagt (uw woonplaats) bepaalt het traject, zoals het vormingsmoment.
- Maximumsnelheid buiten de bebouwde kom: 70 km/u in Vlaanderen en Brussel, 90 km/u in Wallonië, tenzij borden iets anders aangeven.
- Binnen de bebouwde kom: 50 km/u, maar in Brussel is 30 km/u de standaard.
- Het vormingsmoment en het terugkommoment zijn Vlaamse verplichtingen in het opleidingstraject voor rijbewijs B. Het terugkommoment komt pas na het begin van het rijden en is geen voorwaarde voor het theorie-examen.
Lees daarom in de vraag goed of er een plaats of gewest genoemd wordt, en leer de cijfers van uw eigen gewest en die van de andere twee.
Op de examendag
Kom ruim op tijd aan. Slaap voldoende en eet iets vooraf: concentratie is heel belangrijk bij 15 seconden per vraag.
Blijf bij het tempo. Zit u vast op een vraag, kies dan uw beste antwoord en ga verder: blijven twijfelen kost de tijd voor de volgende vraag. Elke vraag staat op zichzelf, dus laat een fout u niet uit evenwicht brengen.
Begrippen
- Zware fout
- Een fout op een vraag over een 3e- of 4e-graadsovertreding (zoals rood licht, voorrang, gordel en kinderzitjes) of de maximumsnelheid; kost 5 punten.
- Bordvraag
- Examenvraag waarbij het bord als beeld getoond wordt: als close-up boven de vraag of als beeldantwoorden A, B en C; nooit als code.
- Gewone fout
- Een fout op alle andere vragen; kost 1 punt, net als een onbeantwoorde vraag.
- Slaaggrens
- U hebt minstens 41 van de 50 punten nodig.
- Oefenexamen
- Een volledige reeks van 50 vragen met 15 seconden per vraag (na het voorlezen), om tempo en stabiliteit te testen.
Veelgemaakte fouten
- Denken dat één zware fout nog niet erg is: ze kost 5 punten, evenveel als vijf gewone fouten.
- Een regel 'ongeveer' kennen en toch antwoorden op 'altijd' of 'nooit'.
- Het antwoord kiezen voor de verkeerde weggebruiker, bijvoorbeeld de tegenligger in plaats van uzelf.
- Alleen de cursus lezen en geen oefenexamens met tijdslimiet maken.
- De gewestelijke snelheidsverschillen door elkaar halen.
- Bordcodes vanbuiten leren in plaats van het beeld: op het examen ziet u alleen het bord.
- Vragen over gordel en kinderzitjes als 'lichte' vragen behandelen: een fout daarop is een zware fout van 5 punten.