← Alle lessen

Borden, markeringen en lichten

Wegmarkeringen, verkeerslichten en bevoegde personen

Strepen op het wegdek, lichten en agenten geven u bevelen. Leer wat elk teken betekent en welk teken wint als ze elkaar tegenspreken.

11 min lezen · 25 oefenvragen

Na deze les kan je

  • Doorlopende en onderbroken strepen, oranje werfmarkeringen, dambordmarkeringen, haaientanden, stopstrepen, voorsorteerpijlen en verdrijvingsvlakken lezen.
  • De betekenis van rood, oranjegeel, groen, knipperend oranjegeel, pijllichten en de ontruimingspijl kennen, ook bij een defect licht.
  • Lichten boven rijstroken, lichten voor tram en bus, voetgangerslichten en overweglichten herkennen.
  • De bevelen en gebaren van een bevoegd persoon (politie) begrijpen, weten dat ze boven lichten en borden gaan, en weten wiens aanwijzingen u daarnaast opvolgt (gemachtigd opzichter, wegkapitein).
  • De rangorde van de verkeerstekens toepassen.

Borden in deze les

Strepen in de lengte van de weg

Een witte streep in de lengte van de weg bakent de rijstroken af (art. 72; de gele randstrepen staan in art. 75). Het examen vraagt vooral naar het verschil tussen doorlopend en onderbroken:

  • Een doorlopende streep mag niemand overschrijden. Scheidt ze twee rijrichtingen, dan mag u ook niet links ervan rijden.
  • Een onderbroken streep mag u overschrijden om in te halen, links af te slaan, te keren of van rijstrook te veranderen.
  • Korte streepjes met weinig ruimte ertussen kondigen een doorlopende streep aan. Dat is een waarschuwing: u kunt straks niet meer inhalen of van strook wisselen.
  • Ligt een doorlopende streep naast een onderbroken streep, dan telt alleen de streep aan uw kant. Wie om in te halen over de streep ging, mag terugkeren naar zijn eigen strook.

Een gele onderbroken streep langs de rand van de rijbaan betekent dat parkeren daar verboden is (art. 75.1, 2°). Een gele doorlopende streep langs de rand betekent dat stilstaan en parkeren er verboden zijn.

Bij wegenwerken vervangen oranje strepen of oranje spijkers tijdelijk de witte. Een oranje doorlopende of onderbroken streep betekent hetzelfde als de witte. Staan beide er, dan geldt alleen de oranje markering: de witte strepen op dezelfde plaats tellen niet meer (art. 73).

Dwarsstrepen, pijlen en vlakken

Dwarsstrepen en tekens op het wegdek zeggen u waar u moet stoppen of wachten:

  • Een stopstreep (art. 76.1) is een brede doorlopende dwarsstreep. U stopt ervoor, bij bord B5 of bij een rood licht.
  • Haaientanden (art. 76.2) zijn witte driehoeken op een dwarsstreep. Ze betekenen: voorrang verlenen, zoals bij bord B1. De punten wijzen naar u toe.
  • Voorsorteerpijlen tonen welke rijstrook bij welke richting hoort. Kies uw strook op tijd, vóór u de stopstreep bereikt.
  • Verdrijvingsvlakken (art. 77.4) zijn vlakken met witte, evenwijdige schuine strepen. U rijdt, staat of parkeert er niet.
  • Dambordmarkering (art. 77.8) bestaat uit witte vierkantjes. Ze bakent een bijzondere overrijdbare bedding, een busstrook of een overweg af. Stilstaan en parkeren zijn er verboden.

Opgelet: een busstrook (bord F17) en een bijzondere overrijdbare bedding (bord F18) zijn afgebakend met strepen of dambordmarkering (art. 72.5 en 72.6) en maken geen deel uit van de rijbaan. U rijdt er alleen op in de beperkte gevallen die de wegcode toelaat.

Driekleurige verkeerslichten

De lichten staan van boven naar onder: rood, oranjegeel, groen (art. 61.2). De volgorde is groen, oranjegeel, rood, groen (art. 61.3).

  • Rood: u mag de stopstreep of het licht niet voorbijrijden. Rood licht negeren is een zware fout op het examen.
  • Vast oranjegeel: u mag niet voorbij, tenzij u zo dicht bij het licht bent dat u niet meer veilig kunt stoppen (art. 61.1, 2°). Op een kruispunt mag dat alleen als u niemand in gevaar brengt. Rem dus niet abrupt als u al te dicht bent.
  • Groen: u mag voorbij. Wie nog op het kruispunt is en voetgangers hebben voorrang. De voorrangsborden op dezelfde weg gelden dan niet, want bij werkende lichten gaan de lichten voor (art. 6.3).
  • Pijlen hebben dezelfde betekenis als de lichten, maar alleen voor de richtingen die de pijl aanwijst (art. 61.1, 4°).
  • Een extra groene pijl naast een rood of oranjegeel licht laat u enkel in de aangeduide richting voorbij (art. 61.1, 5°). U verleent voorrang aan het verkeer dat regelmatig uit andere richtingen komt en aan voetgangers.
  • Een aparte groene pijl naar links aan het einde van het kruispunt is een ontruimingspijl: de tegenliggers hebben rood, u mag het kruispunt verlaten om links af te slaan (art. 62).

Groen is geen vrijbrief. Rijd nooit een kruispunt op, ook niet bij groen, als het verkeer zo vastzit dat u er waarschijnlijk moet stoppen en het dwarsverkeer zou hinderen (art. 14.2). Staat u al op een kruispunt met lichten of een agent, dan mag u het vrijmaken zonder te wachten tot uw richting groen krijgt, tenzij een rood licht rechts van u op de weg die u inslaat dat verbiedt (art. 14.1).

Een licht met het silhouet van een fiets geldt alleen voor fietsers en tweewielige bromfietsen (art. 61.1, 6°). Pijltjes rond het fietssilhouet betekenen dat de dwarsrichting tegelijk hetzelfde licht heeft (art. 61.1, 7°). Een extra oranjegeel knipperend fietslicht met pijl naast rood of oranjegeel laat fietsers alleen in die richting door, als zij voorrang verlenen (art. 61.1, 9°).

Lichten boven rijstroken, voor tram en bus, voor voetgangers en aan overwegen

Niet elk licht is een driekleurig licht. Deze vier soorten komen op het examen terug:

  • Boven een rijstrook betekent een rood kruis dat de strook verboden is, een groene pijl omlaag dat ze toegelaten is en een oranje schuine pijl (vast of knipperend) dat u de strook moet verlaten in de richting van de pijl (art. 62bis). Deze lichten schakelen de voorrangsborden niet uit (art. 6.3).
  • Lichten voor tram en bus zijn wit op zwart: een horizontale balk = rood, een cirkel = vast oranjegeel, een omgekeerde driehoek = groen, een verticale of schuine balk = alleen in die richting, een knipperende cirkel = oranjegeel knipperlicht (art. 62ter). Ze gelden niet voor u.
  • Voetgangerslichten zijn rood (stilstaand silhouet) of groen (stappend silhouet); knipperend groen kondigt het einde van de oversteektijd aan (art. 63.1). Pijltjes rond het silhouet betekenen dat de dwarsrichting tegelijk groen heeft, zodat voetgangers ook diagonaal kunnen oversteken (art. 63.1, 5°). Een licht met fiets én voetganger geldt alleen voor fietsers, bromfietsers die op het fietspad mogen rijden en voetgangers (art. 63.2).
  • Aan een overweg betekent een knipperend maanwit licht dat u erover mag (art. 64.3). Twee beurtelings knipperende rode lichten verbieden iedereen, ook voetgangers, de stopstreep of het licht voorbij te gaan (art. 64.2).

Knipperend en defect licht

Een knipperend oranjegeel licht verbiedt niets. U mag het licht voorbijrijden met dubbele voorzichtigheid. Het verandert de voorrang niet: u volgt de voorrangsborden, en zijn die er niet, dan geldt de voorrang van rechts (art. 64.1). Een oranjegeel knipperlicht schakelt de voorrangsborden dus niet uit, anders dan werkende driekleurige lichten (art. 6.3).

Het knipperlicht kan een alleenstaand licht zijn, het oranjegele licht van een installatie die buiten werking is, of in speciale gevallen een licht dat in het driekleurig systeem in de plaats van het groene licht brandt. Het betekent telkens hetzelfde: door met dubbele voorzichtigheid, voorrang ongewijzigd (art. 64.1, 1° tot 3°).

Hetzelfde geldt als de lichten uitgevallen zijn of niet werken. Een dode lichtinstallatie regelt het verkeer niet meer. U rijdt voorzichtig en past de borden en de gewone voorrangsregels toe.

Voorbeeld: de lichten zijn uit en er staat een bord B1 voor u. Dan verleent u voorrang. Zijn er geen borden, dan geeft u voorrang aan wie van rechts komt.

Bevoegde personen

Bevoegde personen zijn de personen uit art. 3: vooral de politie, maar ook onder meer douaniers, de spoorwegpolitie en wegeninspecteurs. Brandweer en civiele bescherming zijn bevoegd op de plaats van hun interventie, zolang de politie er niet is (art. 3, 13°). Wie bevelen geeft aan rijdend verkeer, draagt de kentekens van zijn functie, ook 's nachts herkenbaar (art. 4.3).

U geeft hun bevelen onmiddellijk gevolg (art. 4.1). Ze gaan boven lichten, borden en alle andere regels (art. 6.1). Staat de agent midden op het kruispunt en wenkt hij u door terwijl het licht rood is, dan rijdt u door. Zegt hij 'stop' terwijl het licht groen is, dan stopt u.

De gebaren (art. 4.2):

  • Arm rechtop: iedereen stopt, behalve wie al op het kruispunt is; die maakt het vrij.
  • Arm of armen horizontaal: wie van voor of achter de agent komt (dwars op de armen), stopt; wie in de richting van de armen rijdt, mag door.
  • Overdwars zwaaien met een rood licht: stoppen voor de bestuurders naar wie het licht gekeerd is.

Gemachtigde opzichters, signaalgevers, wegkapiteins, groepsleiders en werfopzichters zijn geen bevoegde personen, maar u moet hun aanwijzingen opvolgen. Zij leggen het verkeer stil met een schijf met het bord C3 (art. 40bis en 41.3). Een gemachtigd opzichter beveiligt het oversteken van kinderen, scholieren, personen met een handicap en bejaarden; door zo'n groep mag u niet breken (art. 40bis.1).

De rangorde van de tekens

Als verschillende tekens elkaar tegenspreken, geldt deze rangorde, van sterk naar zwak (art. 6.1 en 6.2):

  • 1. De bevelen van een bevoegd persoon.
  • 2. De verkeerstekens (lichten, borden en markeringen).
  • 3. De algemene verkeersregels, zoals voorrang van rechts.

Eén uitzondering kent u al: bij werkende lichten gelden de voorrangsborden op dezelfde weg niet (art. 6.3). Zo mag u bij groen licht doorrijden, ook al staat een bord B1 in uw rijrichting. Zo gaat een agent die u laat stoppen boven dat groene licht.

De rangorde is in de drie gewesten gelijk. Alleen de plaatsing verschilt: in Brussel en Vlaanderen staan lichten en voorrangsborden rechts en zijn links of boven herhalingen (art. 61.4 en 67.1). In Wallonië gelden twee beurtelings knipperende rode lichten overal, niet alleen aan overwegen (art. 64.2).

Begrippen

Haaientanden
Witte driehoeken op een dwarsstreep: voorrang verlenen, zoals bord B1.
Stopstreep
Brede doorlopende dwarsstreep: u stopt ervoor bij B5 of rood licht.
Verdrijvingsvlak
Vlak met witte schuine strepen waar u niet rijdt, stilstaat of parkeert.
Dambordmarkering
Witte vierkantjes, onder meer bij een overweg of busstrook: stilstaan en parkeren verboden.
Voorsorteerpijl
Pijl op het wegdek die de rijstrook voor een bepaalde richting aanduidt.
Oranje markering
Tijdelijke werfmarkering (strepen of spijkers) met dezelfde betekenis als wit; ze maakt de witte strepen op dezelfde plaats waardeloos (art. 73).
Ontruimingspijl
Aparte groene pijl naar links bij het uitrijden van een kruispunt: de tegenliggers hebben rood, u mag het kruispunt verlaten (art. 62).
Bevoegde persoon
Persoon uit art. 3 (vooral politie, en brandweer op de interventieplaats) wiens bevelen boven lichten, borden en regels gaan (art. 4 en 6.1).
Gemachtigd opzichter
Geen bevoegd persoon, maar u volgt zijn aanwijzingen bij het oversteken van kinderen, scholieren, personen met een handicap en bejaarden; hij stopt het verkeer met een schijf met bord C3 (art. 40bis).

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat u bij vast oranjegeel altijd moet stoppen, terwijl u mag doorrijden als u niet meer veilig kunt stoppen.
  • Een knipperend oranjegeel licht zien als 'voorrang' en niet merken dat de borden of de voorrang van rechts blijven gelden.
  • Een doorlopende streep overschrijden om in te halen of om een stilstaand voertuig te omzeilen.
  • Bij groen licht doorrijden terwijl een agent 'stop' gebiedt.
  • Bij groen een kruispunt oprijden terwijl u er vast komt te staan en zo het dwarsverkeer blokkeert (art. 14.2).
  • Een gemachtigd opzichter een bevoegd persoon noemen: u volgt zijn aanwijzingen op, maar bevelen komen alleen van de personen uit art. 3.
  • Bij werken de witte strepen blijven volgen terwijl er oranje markeringen liggen: alleen oranje geldt (art. 73).
  • Haaientanden en een stopstreep verwarren: haaientanden betekenen voorrang verlenen, een stopstreep betekent stoppen.

Check je begrip

Vraag 1 van 50 juist
Kruispunt met verkeerslicht, bord en agent.
Foto
Situatie: Kruispunt met verkeerslicht, bord en agent.

Welke volgorde van de verkeerstekens is juist, van sterk naar zwak?