← Alle lessen

Bestuurder, voertuig en omstandigheden

Voertuig en uitrusting

Een veilig voertuig is een voertuig waarmee u gezien wordt, goed grip hebt en bij pech correct reageert. Hier leert u de lichten en de claxon, de banden, de vier verplichte uitrustingsstukken, de lading, de massa's en het rijbewijs B, de rijhulpsystemen, de keuring en de dashboardlampjes.

12 min lezen · 25 oefenvragen

Na deze les kan je

  • Weten welke lichten u wanneer gebruikt (dim-, groot-, mist-, standlichten, parkeerlicht, richtingaanwijzers, alarmknipperlichten) en wanneer de claxon mag.
  • De eisen aan banden kennen: minstens 1,6 mm profiel, juiste spanning, winter- en spijkerbanden.
  • De vier verplichte uitrustingsstukken opsommen (gevarendriehoek, brandblusser, fluovest, verbandetui) en ze bij pech correct gebruiken.
  • Lading correct vastmaken en de maten en signalisatie van uitstekende lading toepassen.
  • MTM en MBT uit elkaar houden en weten wat u met rijbewijs B mag besturen en trekken.
  • Weten wat ABS en ESP doen, hoe u op onder- en overstuur reageert, wanneer de keuring nodig is en wat de dashboardlampjes betekenen.

Lichten: welk licht wanneer?

Lichten zijn verplicht tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en overdag zodra u niet meer duidelijk tot ongeveer 200 m ziet (regen, mist, sneeuw) (art. 30). Bij goed zicht overdag zijn ze niet verplicht.

  • Dimlicht: het gewone licht om te rijden in het donker en bij slecht zicht. Dagrijlichten mogen overdag, maar vervangen het dimlicht niet in het donker of bij slecht zicht. Zet vóór een tunnel uw dimlichten aan: de wegcode legt het niet letterlijk op, maar het examen verwacht het.
  • Grootlicht: in het donker, om verder te zien. U schakelt over op dimlicht bij tegenliggers (zeker als een tegenligger met zijn lichten knippert omdat u hem verblindt), bij een spoorvoertuig of boot die u verblinden zou, als u op minder dan 50 m achter een voertuig rijdt (behalve om in te halen) en op een weg die onafgebroken verlicht is zodat u ongeveer 100 m ver ziet (art. 30.1, 1°). De regel gaat dus niet over de bebouwde kom, maar over verblinden en verlichting.
  • Achtermistlicht: verplicht bij mist of sneeuwval die het zicht tot minder dan ongeveer 100 m beperkt, en bij felle regen. In alle andere omstandigheden is het verboden, want het verblindt wie achter u rijdt (art. 30.1, 2°). Voormistlichten mogen alleen bij mist, sneeuwval of felle regen; ze mogen het dim- of grootlicht vervangen of ermee samen branden.
  • Standlichten en parkeerlicht: een voertuig dat in het donker of bij zicht onder 200 m stilstaat of geparkeerd staat, toont vooraan witte of gele standlichten en achteraan rode lichten, tenzij de openbare verlichting het van op ongeveer 100 m duidelijk zichtbaar maakt. In de bebouwde kom volstaat één parkeerlicht aan de kant van de rijbaan, als het voertuig evenwijdig met de rijbaan staat en geen aanhangwagen heeft (art. 31). Rijden met enkel standlichten mag niet.
  • Richtingaanwijzers: tijdig aanzetten vóór u van richting verandert of van rijstrook wisselt, en uitzetten zodra de beweging af is.
  • Alarmknipperlichten: bij pech, een ongeval of een gevaar dat u moet melden, bijvoorbeeld het einde van een file op de autosnelweg. Niet gebruiken om even in tweede rij te staan.

Motorfietsen en bromfietsen rijden altijd met dimlicht, ook overdag.

Claxon en lichtsignalen

De claxon gebruikt u zo kort mogelijk en alleen om een ongeval te vermijden; buiten de bebouwde kom ook om aan te kondigen dat u gaat inhalen (art. 33.2). Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag vervangt u het geluidssignaal door kort afwisselend groot- en dimlicht, behalve bij dreigend gevaar (art. 33.3). Knippert een tegenligger met zijn grootlichten, dan zegt hij dat u hem verblindt: dim meteen.

Een schoolbus herkent u aan een geel bord van minstens 40 cm vooraan en achteraan. Werken al zijn richtingaanwijzers tegelijk, dan stappen er kinderen in of uit: vertraag sterk en stop zo nodig (art. 39bis.2).

Banden

Banden zijn het enige contact met de weg. Het examen vraagt vooral:

  • De profieldiepte is minstens 1,6 mm over het hele loopvlak. Onder 2 mm stijgt het risico op aquaplaning al merkbaar.
  • Banden mogen geen scheuren, builen of zichtbare koorden hebben. Op dezelfde as gebruikt u banden van hetzelfde type, en u combineert nooit radiaalbanden vooraan met diagonaalbanden achteraan.
  • Een te lage bandenspanning verlengt de remafstand, verhoogt het verbruik en slijt de band sneller. Een band verliest ongeveer 3 tot 5 % spanning per maand: controleer de spanning regelmatig, bij koude banden. Bij zware lading of een lange rit verhoogt u ze met ongeveer 0,2 bar.
  • Winterbanden zijn in België niet verplicht, ook niet bij sneeuw. Monteert u ze, dan op alle vier de wielen; ze presteren beter dan zomerbanden onder 7 °C. Sneeuwkettingen gebruikt u alleen als er sneeuw of ijzel op de weg ligt.
  • Spijkerbanden mogen alleen van 1 november tot 31 maart, op voertuigen tot 3,5 t. U rijdt dan hoogstens 90 km/u op autosnelwegen en wegen met 2x2 rijstroken en 60 km/u elders, met een plaat '60' achteraan (MB 28/9/1976).

Uw voertuig moet altijd in goede staat zijn en uw rijgedrag aangepast aan de omstandigheden. Gladde of versleten banden passen daar niet in.

Verplichte uitrusting

Wettelijk verplicht aan boord van elke personenwagen (KB 15/3/1968, het technisch reglement) zijn vier zaken: een gevarendriehoek (art. 70 §2), een brandblusser (art. 70 §1), een fluovest (art. 70bis) en een verbandetui (art. 71 §2). Het examen rekent erop dat u alle vier bij hebt en weet waar ze liggen.

  • Gevarendriehoek: u plaatst hem rechtop vóór het voertuig, op minstens 30 m op gewone wegen en minstens 100 m op de autosnelweg, zo dat naderende bestuurders hem van op ongeveer 50 m zien, dus niet net na een bocht of heuveltop (art. 51.2). In de bebouwde kom, waar 30 m niet lukt, mag hij dichterbij of op het voertuig. Ook een lading die op de weg valt en niet meteen weg kan, signaleert u zo (art. 51.3).
  • Brandblusser: minstens 1 kg poeder voor een auto tot 3.500 kg MTM (2 kg tot 7.500 kg, 3 kg daarboven). Hij staat op een vaste steun, op een zichtbare en goed bereikbare plaats binnen het bereik van de bestuurder, in hoogstens 10 seconden af te nemen, verzegeld, en met een geldigheidsdatum op de romp. Is het zegel gebroken of de datum verstreken, dan telt de blusser niet meer. Een brandje blust u in het begin; weet dus waar hij ligt en hoe hij werkt.
  • Fluovest: ligt binnen handbereik in de wagen, niet in de koffer. Op een autosnelweg of autoweg moet u het dragen zodra u bij pech uitstapt op een plaats waar stoppen of parkeren verboden is (art. 51.4); elders is het sterk aangeraden.
  • Verbandetui: voor eerste hulp aan gewonden, met minstens steriele verbanden, zwachtels, pleisters en een inhoudslijst.

Bij pech op de autosnelweg zet u de alarmknipperlichten aan, trekt u uw fluovest aan vóór u uitstapt, stapt u uit aan de kant van de berm, plaatst u de driehoek en wacht u achter de vangrail. Bel de hulpdiensten via 112.

Lading

Uw lading moet goed vastzitten en mag niemand in gevaar brengen (art. 45).

  • Maak alles vast, zodat niets kan schuiven, vallen of wegwaaien. Zware voorwerpen legt u laag en zo dicht mogelijk bij de achterbank.
  • De lading mag uw zicht niet beperken en geen lichten, reflectoren of nummerplaat bedekken.
  • Maten: een beladen voertuig is hoogstens 4 m hoog (art. 46.3) en 2,55 m breed (art. 46.1). Vooraan mag de lading nooit buiten het voertuig uitsteken (art. 46.2.1); achteraan hoogstens 1 m, en alleen lange ondeelbare stukken tot 3 m (art. 46.2.3).
  • Signalisatie: steekt de lading achteraan meer dan 1 m uit, dan hangt u aan het uiteinde een vierkant bord van 50 cm met afwisselend rode en witte strepen, retroreflecterend. Als de lichten moeten branden, komen daar een naar achteren gericht rood licht en een oranje reflector aan elke zijkant bij (art. 47). Een rood vlagje volstaat dus niet.
  • Zitplaatsen: de bestuurder beschikt over minstens 0,55 m breedte en een passagier naast hem over 0,40 m. U vervoert niet meer personen dan er plaatsen met gordel of goedgekeurd kinderzitje zijn, en die plaatsen worden eerst ingenomen (art. 44.1). In een aanhangwagen vervoert u geen personen.

Massa's, rijbewijs B en aanhangwagens

De MTM is de maximaal toegelaten massa die de fabrikant vastlegt; ze staat op het inschrijvingsbewijs (kentekenbewijs). De MBT is de massa in beladen toestand: wat het voertuig op dat moment werkelijk weegt, met inzittenden en lading. Verkeersborden die de toegang beperken of het afslaan regelen, bedoelen de MBT; borden over parkeren, inhalen, goederenvervoer en snelheid bedoelen de MTM.

Met rijbewijs B bestuurt u voertuigen tot 3.500 kg MTM: personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lichte vrachtauto's. U mag daarmee een aanhangwagen trekken als:

  • de aanhangwagen hoogstens 750 kg MTM heeft, of
  • de MTM van auto en aanhangwagen samen niet meer is dan 3.500 kg.

Voor zwaardere gespannen zijn een extra opleiding (code 96, tot 4.250 kg) of rijbewijs BE nodig. Met een voorlopig rijbewijs B mag u geen aanhangwagen trekken (KB 10/7/2006). Een samenstel met een MTM boven 3,5 t rijdt hoogstens 90 km/u. Licht en nummerplaat van de aanhangwagen moeten werken en zichtbaar zijn, en de aanhangwagen moet zelf aan de elektrische en remvereisten voldoen.

ABS, ESP en slippen

ABS voorkomt dat de wielen blokkeren bij hard remmen: druk het rempedaal hard en volledig in, blijf dat doen en blijf sturen. De remweg wordt daardoor niet per se korter; het voordeel is dat u blijft kunnen sturen. ESP (elektronische stabiliteitscontrole) remt afzonderlijke wielen af om een beginnende slip te corrigeren. Beide systemen vervangen een aangepaste snelheid en voldoende volgafstand niet.

  • Onderstuur: de voorwielen schuiven in een bocht naar buiten en de wagen gaat rechtdoor. Laat het gas los, rem niet bruusk en stuur niet verder in.
  • Overstuur: de achterkant breekt uit. Kijk waar u heen wilt, stuur in de richting van de slip (tegensturen), laat het gas los en ontkoppel.

Keuring, onderhoud en dashboardlampjes

Een nieuwe personenwagen moet vier jaar na de eerste inschrijving een eerste keer naar de technische keuring. Daarna gaat dat in Vlaanderen om de twee jaar (sinds 1/9/2026), in Wallonië en Brussel jaarlijks. Een bewijs uit een ander gewest geldt in heel België. Ook voor de verkoop van een tweedehandswagen is meestal een keuring nodig. Als uw voertuig wordt afgekeurd, herstelt u het en gaat u op herkeuring binnen de termijn op het bewijs.

Onderhoud dat het examen kan vragen: het oliepeil controleert u met koude motor op een vlakke ondergrond. Een accu gaat gemiddeld 4 tot 5 jaar mee en begeeft het vaak in de winter; de alternator laadt hem tijdens het rijden. Een vuile luchtfilter of te lage bandenspanning verhoogt het verbruik.

De kleur van een dashboardlampje vertelt hoe dringend het is:

  • Rood: stop zo snel en veilig mogelijk. Voorbeelden: oliedruk, motortemperatuur of koelvloeistof, remmen, laadsysteem van de batterij.
  • Oranje of geel: er is een storing, laat het binnenkort nazien. Voorbeelden: motorcontrole, ABS, ESP, bandenspanning.
  • Groen of blauw: informatie. Zo geeft blauw aan dat uw grootlicht aan staat.

Begrippen

MTM
Maximaal toegelaten massa van een voertuig of aanhangwagen, vastgelegd door de fabrikant en vermeld op het inschrijvingsbewijs.
MBT
Massa in beladen toestand: het werkelijke gewicht van het voertuig op dat moment, met inzittenden en lading.
Gespan
Een voertuig met een aanhangwagen.
Profieldiepte
De diepte van de groeven in het loopvlak van de band; minimaal 1,6 mm.
Standlichten
Zwakke witte of gele lichten vooraan (en rode achteraan) voor een stilstaand of geparkeerd voertuig in het donker.
Parkeerlicht
Eén licht aan de kant van de rijbaan dat in de bebouwde kom de standlichten vervangt bij een evenwijdig geparkeerd voertuig zonder aanhangwagen.
Verbandetui
Het kleine verplichte EHBO-setje voor personenwagens (art. 71 §2 KB 15/3/1968); bussen en betaald personenvervoer hebben een grotere verbandkist nodig.
ABS
Antiblokkeersysteem: houdt de wielen draaiend bij hard remmen zodat u kunt blijven sturen.
ESP
Elektronische stabiliteitscontrole: remt afzonderlijke wielen af om een slip te corrigeren.

Veelgemaakte fouten

  • Mistlichten laten branden terwijl het zicht al beter is, of het achtermistlicht pas aanzetten bij 50 m zicht.
  • Denken dat grootlicht 'buiten de bebouwde kom' mag: het gaat om verblinden en om de verlichting van de weg.
  • Alarmknipperlichten gebruiken om in tweede rij te parkeren.
  • Denken dat alleen de driehoek en de blusser verplicht zijn: fluovest en verbandetui zijn dat ook.
  • Het fluovest in de koffer leggen en pas aantrekken na het uitstappen.
  • Uitstekende lading met een vlagje signaleren in plaats van het rood-wit gestreepte bord.
  • MTM en MBT door elkaar halen, of met een voorlopig rijbewijs een aanhangwagen trekken.
  • Bij ABS pompend remmen, of denken dat ABS de remweg verkort.
  • Denken dat winterbanden in België verplicht zijn, of dat 1,6 mm genoeg is op alleen een deel van de band.
  • Rode lampjes negeren en doorrijden tot de eerstvolgende garage.

Check je begrip

Vraag 1 van 50 juist
Dashboardlampje: oranje bandenspanningslampje brandt.
Foto
Situatie: Dashboardlampje: oranje bandenspanningslampje brandt.

Het oranje lampje van de bandenspanning gaat branden. Wat doet u?