Plaats op de weg, snelheid en inhalen
Plaats op de weg
Waar u op de weg rijdt, bepaalt of u veilig en voorspelbaar bent. Deze les behandelt rechts houden, rijbanen en rijstroken, voorsorteren, de rotonde, de autosnelweg, de file, eenrichtingsstraten en de banen voor bus en tram.
13 min lezen · 25 oefenvragen
Na deze les kan je
- Rechts houden en de juiste rijbaan en rijstrook kiezen, ook bij gescheiden rijbanen, een middenrijbaan en verkeersgeleiders.
- Correct voorsorteren en afslaan, op een tweerichtingsweg én op een eenrichtingsweg.
- Een rotonde correct oprijden, berijden en verlaten, en weten wanneer de richtingaanwijzer verplicht is.
- De regels voor autosnelweg en autoweg kennen: oprijden, invoegen, afrit, pechstrook, spitsstrook, slepen en verboden manoeuvres.
- In de file juist handelen: ritsen, een reddingsstrook vormen en weten wat motorrijders tussen de files mogen.
- Weten wat in een eenrichtingsweg mag, wat 'beperkt eenrichtingsverkeer' betekent en hoe
F19 van
D1 verschilt.
- Tram- en busbanen, bijzondere overrijdbare beddingen en de rechterrijstrook voor bussen respecteren.
Borden in deze les
F13Rijstrookkeuze
F15Voorsorteringsborden
D1Verplichte rijrichting
F21Links of rechts voorbijrijden
D5Rotonde
B1Voorrang verlenen
B5Stoppen en voorrang verlenen
F5Autosnelweg
F7Einde autosnelweg
F9Autoweg
F11Einde autoweg
C43-50Maximumsnelheid 50 km/u
E9aParkeren toegelaten
F19Eenrichtingsverkeer
C1Verboden toegang
M4Fietsers in beide richtingen
M5Fietsers en bromfietsers klasse A in beide richtingen
M17Fietsers en speed pedelecs in beide richtingen
M2Uitgezonderd fietsers
F17Rijstroken met busstrook
F18Bijzondere overrijdbare bedding
Rechts houden en de juiste rijbaan
Als de weg een rijbaan heeft, volgt u die (art. 9.1.1). Op de rijbaan blijft u zo dicht mogelijk bij de rechterrand (art. 9.3.1). Dat geldt ook als de weg leeg is. Uitzonderingen op rechts houden zijn pleinen, de rotonde en de borden F13 en
F15. Links rijden doet u alleen als andere regels het vragen of toelaten, bijvoorbeeld om in te halen of links af te slaan.
Heeft een weg twee of drie duidelijk gescheiden rijbanen (door een berm, een niveauverschil of een ruimte waar voertuigen niet mogen komen), dan mag u de rijbaan links van u niet gebruiken, tenzij een bord of plaatselijke regeling het toelaat (art. 9.2). Dat is een overtreding van de derde graad: u rijdt dan in feite op de rijbaan van de tegenliggers.
Een middenrijbaan herkent u aan twee onderbroken strepen van telkens paren korte streepjes (art. 2.71 en 75.3). De zijdelingse strook ernaast hoort niet bij de rijbaan (art. 2.72): ze is voor fietsers, bromfietsen klasse A, speed pedelecs en dieren (art. 9.1.2, 4°). Als autobestuurder mag u er alleen even op uitwijken om te kruisen of in te halen. Op de middenrijbaan rijdt u maximaal 70 km/u (art. 11.2).
Zuilen en verkeersgeleiders laat u links liggen, u rijdt er dus rechts voorbij. Een vluchtheuvel ook, tenzij het verkeer het rechtvaardigt om er links van te rijden (art. 9.6). Een bord D1 kan één kant opleggen; het bord
F21 laat toe dat u er rechts of links voorbijrijdt (art. 71.2).
In de bebouwde kom kiest u op een eenrichtingsweg met rijstroken of op een tweerichtingsweg met vier of meer rijstroken de strook die het best bij uw bestemming past (art. 9.4). Is er voldoende verkeer, dan mag het in meerdere files rijden (art. 9.5). Dat geldt ook buiten de bebouwde kom, op rijbanen met rijstroken en op stroken met lichten (art. 62bis). Pijlen op het wegdek en borden F13 en
F15 schrijven de keuze van de strook voor. Volg ze: een bord boven een rijstrook geldt alleen voor die strook.
Voorsorteren en afslaan
Voorsorteren doet u tijdig, vóór het kruispunt. Rechts afslaan: u blijft zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan (art. 19.2, 2°). Links afslaan: op een tweerichtingsweg gaat u naar het midden zonder de tegenliggers te hinderen, op een eenrichtingsweg zo dicht mogelijk bij de linkerrand (art. 19.3, 2°). Een groot voertuig mag bij rechts afslaan uitwijken naar links als de plaats het vraagt, maar controleert eerst of niemand al aan het inhalen is.
Rijdt het verkeer volgens art. 9.4 of 9.5 in files, dan mag u rechts afslaan alleen vanuit de rechterstrook en links afslaan alleen vanuit de linkerstrook (art. 19.6). Links afslaan doet u zo ruim mogelijk, zodat u de nieuwe rijbaan rechts oprijdt (art. 19.3, 5°); twee linksafslaande tegenliggers kruisen elkaar dus rechts.
Kondig elke zijwaartse beweging of richtingsverandering tijdig aan met de richtingaanwijzer en stop het signaal zodra de beweging klaar is (art. 13, 19.2 en 19.3).
De rotonde
Een rotonde is geen gewoon kruispunt: wie al op de rotonde rijdt, heeft geen voorrang van rechts meer te verlenen (art. 12.3.1). Het rondgaand verkeer wordt aangeduid met bord D5, en de toegangswegen hebben bord
B1 of
B5 (art. 2.39). U rijdt de rotonde pas op als dat veilig kan en u de voorrang respecteert.
- Oprijden: dat is een richtingsverandering waarbij u de richtingaanwijzer niet moet gebruiken (art. 19.2, 1°). Het mag wel, bijvoorbeeld om te tonen dat u de eerste afslag neemt.
- Berijden: op een rotonde hoeft u niet uiterst rechts te rijden (art. 9.3.1). Kies de rijstrook die bij uw bestemming past en volg de markeringen. Is een deel van de weg voorbehouden aan bijvoorbeeld tram of bus, dan rijdt u daar niet.
- Verlaten: dat is een richtingsverandering waarbij de richtingaanwijzer wel verplicht is (art. 19.2, 1°). U geeft tijdig rechts richting aan, houdt rechts en rijdt op matige snelheid weg. Op de uitrit verleent u voorrang aan fietsers en voetgangers (art. 19.4).
Valkuil: op het examen is 'richting aangeven bij het oprijden is verplicht' fout, en 'richting aangeven bij het verlaten is verplicht' juist. Zeg nooit dat richting aangeven bij het oprijden verboden is: het is niet verplicht, maar wel toegelaten.
Autosnelweg en autoweg
Op de autosnelweg (begin F5, einde
F7) mogen enkel voertuigen die op een vlakke weg 70 km/u halen. Voetgangers, fietsers, bromfietsen, dieren, landbouwvoertuigen en vierwielers zonder passagiersruimte zijn er onder meer verboden (art. 21.1). Op de autoweg (begin
F9, einde
F11) mogen in principe alleen motorvoertuigen en hun aanhangwagens. Bromfietsen, landbouwvoertuigen, kermisvoertuigen en vierwielers zonder passagiersruimte zijn er onder meer uitgesloten (art. 22.1). Een minimumsnelheid kent de autoweg niet.
- Oprijden en verlaten: enkel via de daarvoor ingerichte op- en afritten (art. 21.1).
- Invoegen vanaf een oprit: dat is een manoeuvre, dus u verleent voorrang aan het verkeer op de hoofdrijbaan (art. 12.4). Pas uw snelheid aan en voeg in als er plaats is.
- Afrit: u verlaat de autosnelweg aan het begin van de afrit en remt pas af op de afrit zelf, niet op de rijbaan. Hebt u de afrit gemist, dan rijdt u door naar de volgende: nooit achteruitrijden of keren.
- Ondergrens: niet trager dan 70 km/u, tenzij een bord
C43 een lagere snelheid oplegt (art. 21.2). De maximumsnelheid is 120 km/u, maar voertuigen en slepen boven 3,5 ton en autobussen mogen maximaal 90 km/u (autocars met gordels en snelheidsbegrenzer 100 km/u). Een bord
C43 kan een lagere snelheid opleggen (art. 11.2). De 120 km/u op autosnelwegen geldt in alle drie de gewesten. Op andere wegen buiten de bebouwde kom verschilt het wel: 70 km/u in Vlaanderen en Brussel, 90 km/u in Wallonië (zie de les Snelheid).
- Bussen en voertuigen boven 3,5 ton rijden bij drie of meer rijstroken enkel op de twee rechtse (art. 21.3).
- Verboden: dwarsverbindingen gebruiken, keren, achteruitrijden, tegen de richting in rijden, stilstaan of parkeren buiten
E9a-plaatsen, en slepen met een nood- of hulpkoppeling (art. 21.4). Dit geldt ook op de autoweg (art. 22.2). Op andere wegen mag zo'n noodkoppeling enkel bij overmacht, tot de plaats van herstelling en maximaal 25 km/u (art. 49.5).
De pechstrook is geen rijstrook. Rijden erop is verboden (art. 9.7), behalve voor prioritaire voertuigen met een dringende opdracht, personen of diensten die door het openbaar ministerie of de politie zijn opgeroepen om bij sterk vertraagd of stilstaand verkeer naar een incident te rijden, en takelwagens in dezelfde omstandigheden. Bij pech rijdt u zo mogelijk door naar een vluchthaven of afrit.
Spitsstroken gebruikt u alleen als de borden (art. 65.4) of de verkeerslichten boven de rijstrook (art. 62bis) dat toelaten: een rood kruis betekent dat de strook verboden is, een groene pijl omlaag dat ze toegelaten is en een oranje schuine pijl dat u de strook moet verlaten in de richting van de pijl. Zijn de signalen uitgeschakeld, dan mag u de spitsstrook enkel gebruiken om op of af te rijden, om van richting te veranderen of in de gevallen van art. 9.7 (art. 22decies).
Spookrijder tegemoet: vertraag, rijd uiterst rechts, haal niet in en bel de politie zodra het veilig kan. Knipper pas met de lichten op het moment dat u de spookrijder kruist, niet van ver (praktijkadvies, geen wetsartikel).
In de file: ritsen, reddingsstrook en motorrijders
Eindigt een rijstrook en is het verkeer sterk vertraagd, dan ritst u pas vlak voor de versmalling: wie op de vrije strook rijdt, laat om beurt één voertuig in (art. 12bis). Eindigen de stroken links én rechts van de vrije strook, dan laat u eerst één bestuurder van rechts en daarna één van links in. Van rijstrook wisselen is bij het ritsen geen manoeuvre (art. 12.4). Zonder sterk vertraagd verkeer is het dat wel: wie dan naar de doorlopende strook gaat, verleent voorrang.
Bij filevorming vormt u een reddingsstrook (art. 2.70 en 9.8): bij twee rijstroken gaat de linkse strook uiterst links en de rechtse uiterst rechts; bij meer rijstroken gaat de linkse strook uiterst links en schuiven alle andere stroken naar rechts, zodat de vrije doorgang naast de linkerrijstrook ligt. Vorm ze preventief zodra het verkeer vertraagt, niet pas bij stilstand. De regel geldt op elke weg met twee of meer rijstroken in dezelfde richting, niet alleen op de autosnelweg. U wijkt daarvoor niet uit naar de pechstrook, een spitsstrook of een busstrook.
Motorrijders mogen bij stilstaand of traag verkeer tussen twee rijstroken of files rijden: maximaal 50 km/u en hoogstens 20 km/u sneller dan de files. Op autosnelwegen en autowegen mag dat enkel tussen de twee meest linkse rijstroken (art. 16.2bis). Dat geldt niet als inhalen, maar een motorrijder mag ook zo geen voertuig voorbijrijden dat stopt voor een oversteekplaats (art. 17.2, 5°). Als autobestuurder houdt u daar rekening mee: controleer uw spiegels voor u in de file van strook wisselt.
Eenrichtingsweg en beperkt eenrichtingsverkeer
Een straat met bord F19 is maar in één richting open. In de tegenovergestelde richting staat bord
C1: 'verboden richting voor iedere bestuurder'. Dat bord negeren is een overtreding van de derde graad en dus een zware fout op het examen (-5 punten).
Verwar F19 niet met
D1.
F19 is een aanwijzingsbord (blauw, rechthoekig, witte pijl): het zegt dat de straat die u inrijdt eenrichtingsverkeer heeft.
D1 is een gebodsbord (blauw, rond, witte pijl): u moet de aangeduide richting volgen, bijvoorbeeld rond een obstakel of aan een kruispunt. Op het examen wordt gevraagd wat het bord u oplegt: bij
D1 een verplichting, bij
F19 een inlichting over de straat.
Wie op een eenrichtingsweg links afslaat, blijft zo dicht mogelijk bij de linkerrand (art. 19.3, 2° b), en op een weg met rijstroken op de linkerstrook (art. 19.6). Let daarbij op fietsers die met een onderbord in de tegenrichting mogen rijden.
Bij beperkt eenrichtingsverkeer geeft een onderbord een uitzondering. Bij F19 geldt: met onderbord
M4 mogen fietsers in beide richtingen rijden, met
M5 ook tweewielige bromfietsen klasse A.
M17 geldt voor speed pedelecs en M18 voor klasse A en speed pedelecs samen. Deze onderborden wijzigen de draagwijdte van het bord niet (art. 71.3). Onderborden
M2 en M3 horen bij
C1:
M2 neemt fietsers uit het verbod, M3 ook klasse A. Het onderbord verandert niets voor andere bestuurders: voor een auto blijft de straat eenrichting. Reken op fietsers uit de tegenovergestelde richting, vooral als u uit een zijstraat komt. Zo'n fietser komt niet uit een verboden rijrichting: komt hij van rechts, dan hebt u voorrang te verlenen (art. 12.3.1).
Tram, bus en bijzondere banen
Een busstrook (F17) hoort niet bij de rijbaan. Daar rijdt het openbaar vervoer, en andere voertuigen (schoolvervoer, taxi's, fietsen, motorfietsen) alleen als het symbool of een onderbord dat toelaat (art. 72.5). Anderen mogen de strook enkel oversteken of gebruiken om een hindernis te omzeilen, vlak voor een kruispunt af te slaan, het kruispunt te kruisen of een eigendom of parkeerplaats langs de strook te bereiken.
Gewone tramsporen liggen in de rijbaan. Spoorvoertuigen hebben daar voorrang (art. 12.1): u verwijdert zich zo snel mogelijk van de sporen.
Een bijzondere overrijdbare bedding (F18) is voorbehouden aan geregeld openbaar vervoer (art. 72.6). Ze lijkt overrijdbaar, maar is geen plaats om te rijden of stil te staan. Andere voertuigen mogen enkel een hindernis omzeilen, de bedding dwarsen op kruispunten, of dwarsen om een eigendom of parkeerplaats te bereiken (art. 72.6). Afslaan via de bedding mag dus niet: u mag ze alleen dwarsen. Bestuurders volgen er de verkeerslichten (art. 62ter), maar rijden er enkel in de toegelaten richtingen. Op een eigen trambedding met verkeerslichten geven die lichten het voorrangsregime aan.
Begrippen
- Voorsorteren
- Tijdig vóór het kruispunt de rijstrook kiezen die bij uw richting past: rechts afslaan vanaf de rechterrand, links afslaan vanuit het midden of, op een eenrichtingsweg, vanaf de linkerrand.
- Gescheiden rijbanen
- Twee of drie rijbanen van dezelfde weg, gescheiden door een berm, een niveauverschil of een ruimte waar voertuigen niet mogen komen; de linkse rijbaan is verboden (art. 9.2).
- Middenrijbaan
- Rijbaan afgebakend door twee onderbroken strepen van paren korte streepjes (art. 75.3); maximaal 70 km/u.
- Zijdelingse strook
- Strook naast de middenrijbaan, geen deel van de rijbaan; voor fietsers, bromfietsen klasse A, speed pedelecs en dieren.
- Rotonde
- Plein met verplicht rondgaand verkeer (
D5), geen gewoon kruispunt.
- Pechstrook
- Strook rechts van de rijstroken, enkel voor noodgevallen en uitzonderingen.
- Spitsstrook
- Extra rijstrook die enkel open is als borden of lichten boven de strook (groene pijl) dat tonen (art. 22decies en 62bis).
- Reddingsstrook
- Vrije doorgang tussen de linkse rijstrook en de overige rijstroken die u bij filevorming vormt (art. 2.70 en 9.8).
- Ritsen
- Bij sterk vertraagd verkeer pas vlak voor de versmalling invoegen, om beurt één voertuig (art. 12bis).
- Beperkt eenrichtingsverkeer
- Eenrichtingsweg (
F19) waar een onderbord bepaalde bestuurders, zoals fietsers, toch tegen de richting in toelaat.
- Bijzondere overrijdbare bedding
- Strook (
F18) voorbehouden aan geregeld openbaar vervoer.
Veelgemaakte fouten
- Zeggen dat richting aangeven bij het oprijden van een rotonde verboden is: het is niet verplicht, maar wel toegelaten. Bij het verlaten is het verplicht.
- Denken dat de pechstrook een extra rijstrook is bij file of drukte.
- Al vroeg invoegen op een eindigende rijstrook, in plaats van pas vlak voor de versmalling te ritsen.
- De reddingsstrook pas vormen als de file stilstaat, of ervoor uitwijken naar de pechstrook.
- Op een eenrichtingsweg links afslaan vanuit het midden in plaats van vanaf de linkerrand.
F19 (eenrichtingsweg, aanwijzing) verwarren met
D1 (verplichte richting, gebod).
- Aannemen dat 'beperkt eenrichtingsverkeer' ook voor auto's geldt.
- De zijdelingse strook naast een middenrijbaan als gewone rijstrook gebruiken.
- Een
F18-bedding of busstrook gebruiken omdat ze overrijdbaar lijkt.
Check je begrip

U staat op de tramsporen in het midden van de rijbaan, omdat u links wilt afslaan. Een tram nadert van achter. Wat doet u?