← Alle lessen

Voorrang en medeweggebruikers

Voorrang

Wie mag eerst? De voorrangsregels bepalen op elk kruispunt wie doorrijdt en wie wacht. Ken de rangorde, de voorrang van rechts, de manoeuvres en de uitzonderingen.

9 min lezen · 20 oefenvragen

Na deze les kan je

  • De rangorde bevoegd persoon, lichten, borden, verkeersregels toepassen en weten wie wél en niet een bevoegd persoon is.
  • De voorrang van rechts en haar vier uitzonderingen herkennen, ook bij fietsers uit een beperkt eenrichtingsstraat of aan het einde van een fietspad.
  • Weten wat een manoeuvre is, wanneer er geritst wordt en wie wacht aan een versmalling.
  • De voorrang bij het afslaan kennen: tegenliggers, rechtsaf vóór linksaf, fietsers en voetgangers.
  • Het juiste gedrag kennen tegenover trams, rotondes, prioritaire voertuigen, lijnbussen en schoolbussen.

Borden in deze les

De rangorde van de voorrang

Op een kruispunt kunnen verschillende regels tegelijk van toepassing lijken. De wegcode legt een vaste volgorde vast (art. 6), van sterk naar zwak:

  • De bevelen van een bevoegd persoon gaan boven alles. Bevoegde personen staan in art. 3: vooral de politie, en de brandweer of de civiele bescherming op de plaats van een interventie als er geen politie is.
  • Daarna komen de werkende verkeerslichten. Zolang de lichten werken, gelden de voorrangsborden op dezelfde weg niet (art. 6.3).
  • Dan de verkeersborden (bv. B1, B5, B9, B15, B17).
  • Pas als er niets van dat alles is, gelden de verkeersregels, zoals de voorrang van rechts.

Een gemachtigd opzichter aan een school, een signaalgever bij een wielerwedstrijd, een wegkapitein bij een groep fietsers, een groepsleider of een werfopzichter is geen bevoegd persoon. Toch moet u hun aanwijzingen opvolgen; zij leggen het verkeer stil met een schijf waarop het bord C3 staat (art. 40bis en 41.3). Op het examen is 'de gemachtigd opzichter is een bevoegd persoon' dus fout, 'u moet stoppen voor zijn schijf' juist.

Knippert alleen het oranjegele licht, dan regelen de lichten niets: u rijdt met dubbele voorzichtigheid en volgt de voorrangsborden, en als die er niet zijn, de voorrang van rechts (art. 64.1). Een oranjegeel knipperlicht kan ook in de plaats van het groene licht branden; het betekent hetzelfde. Bij groen licht rijdt u een kruispunt toch niet op als u er door de file waarschijnlijk zou moeten stoppen en zo het dwarsverkeer zou hinderen (art. 14.2). De voorrangsregels zijn federaal en in de drie gewesten gelijk.

Voorrang van rechts

Op een kruispunt zonder borden of lichten verleent u voorrang aan elke bestuurder die van rechts komt (art. 12.3.1). Het speelt geen rol wie er eerst was of wie de breedste weg heeft. De bestuurder van rechts verliest zijn voorrang ook niet als hij even gestopt is.

De voorrang van rechts geldt niet:

  • als u op een rotonde rijdt;
  • als de bestuurder van rechts uit een verboden rijrichting komt;
  • voor wie komt van een weg met een bord B1 of B5;
  • voor wie van een aardeweg of een pad op een verharde weg komt.

Let op met fietsers: een fietser die uit een beperkt eenrichtingsstraat komt (onderbord M2 of M4), komt niet uit een verboden rijrichting. Komt hij van rechts, dan verleent u voorrang (art. 12.3.1). Staat onder B1 of B5 een onderbord M1 of M8, dan geldt het voorrangsbord alleen voor fietsers (en tweewielige bromfietsers) (art. 67.4).

Wie een manoeuvre uitvoert, verleent voorrang aan alle andere weggebruikers (art. 12.4). Manoeuvres zijn onder meer: van rijstrook of file veranderen, de rijbaan oversteken, een parkeerplaats verlaten of oprijden, uit een garage of oprit komen, keren en achteruitrijden. Geen manoeuvre is: aan het einde van een fietspad de rijbaan oprijden om rechtdoor te gaan, en van rijstrook veranderen bij het ritsen. Wie een trottoir of fietspad oversteekt, verleent voorrang aan wie het trottoir of fietspad gebruikt (art. 12.4bis). Wie voorrang moet verlenen, rijdt pas verder als dat zonder gevaar kan, gelet op de plaats, de snelheid en de afstand van de anderen (art. 12.5).

Rijstroken, versmallingen en ritsen

Van rijstrook veranderen is een manoeuvre: wie naar de doorlopende strook gaat, verleent voorrang aan wie er al rijdt (art. 12.4). Alleen bij sterk vertraagd verkeer wordt geritst: u blijft op uw eindigende strook tot vlak voor de versmalling, en op de doorgaande strook laat u beurtelings één invoegende bestuurder voor (art. 12bis). Eindigen de stroken links én rechts van de vrije strook, dan laat u eerst één bestuurder van rechts en daarna één van links in. Te vroeg invoegen is op het examen fout.

Bij een versmalling zonder rijstroken, bijvoorbeeld door een geparkeerde auto of werken, wacht wie de hindernis aan zijn kant heeft: hij vertraagt en stopt zo nodig om de tegenligger door te laten (art. 15.2). Kruisen gebeurt rechts (art. 15.1).

Afslaan

Wie links afslaat, verleent voorrang aan de tegenliggers op de rijbaan die hij verlaat (art. 19.3, 3°). Daaruit volgt dat wie rechts afslaat, voorgaat op wie uit de tegenovergestelde richting links afslaat. Twee linksafslaande tegenliggers kruisen elkaar rechts: elk slaat zo ruim mogelijk af en rijdt de nieuwe rijbaan rechts op (art. 15.1 en 19.3, 5°). Pijlen op het wegdek of verkeer in files (art. 9.4 en 9.5) kunnen daarvan afwijken.

Wie afslaat, in welke richting ook, verleent voorrang aan fietsers en voetgangers die rechtdoor gaan op het fietspad of trottoir van dezelfde weg, en aan voetgangers die de straat oversteken waar u in rijdt (art. 19.4 en 19.5). Het bord F50bis waarschuwt afslaande bestuurders voor fietsers en bromfietsers die rechtdoor rijden: die hebben voorrang. Het bord C33 verbiedt alleen het keren; links afslaan blijft toegelaten.

Trams en rotondes

Trams hebben voorrang op alle andere weggebruikers, ook als ze van links komen: u verwijdert zich zo snel mogelijk van de sporen (art. 12.1). Ze kunnen niet uitwijken en remmen traag. Alleen verkeerslichten of een bevoegd persoon kunnen de tram laten wachten. Een tram kruist en haalt u rechts in; links mag enkel als rechts niet kan door een engte, een stilstaand voertuig of een vaste hindernis (art. 15.4 en 16.9).

Op een rotonde (bord D5, met B1 of B5 aan de toegangswegen) heeft het verkeer op de rotonde voorrang. Bij het oprijden van de rotonde moet u geen richting aangeven; het mag wel. Bij het verlaten is de rechter richtingaanwijzer verplicht (art. 19.2, 1°). Op de uitrit verleent u voorrang aan fietsers en voetgangers die rechtdoor gaan (art. 19.4).

Prioritaire voertuigen, bussen en rood licht

  • Hoort u de sirene van een prioritair voertuig (meestal ook met blauw zwaailicht), dan maakt u meteen de doorgang vrij, verleent u voorrang en stopt u zo nodig (art. 38). Met sirene mag het prioritaire voertuig een rood licht voorbijrijden met matige snelheid (art. 37.4), maar ook het moet de bevelen van een bevoegd persoon opvolgen (art. 37.5): een agent gaat dus boven de ambulance.
  • In de bebouwde kom laat u een lijnbus of trolleybus die dezelfde richting uitgaat vertrekken van zijn halte zodra hij zijn richtingaanwijzer aanzet. U vertraagt en stopt zo nodig (art. 39). Die regel geldt niet buiten de bebouwde kom, niet voor tegenliggers en niet voor een autocar of schoolbus.
  • Knippert een schoolbus (geel bord vooraan en achteraan) met alle richtingaanwijzers, dan stappen kinderen in of uit: u vertraagt sterk en stopt zo nodig (art. 39bis.2).
  • Stopt een bus of tram aan een halte zonder vluchtheuvel en rijdt u langs de kant waar reizigers in- of uitstappen, dan stopt u tot ze veilig het trottoir of de berm hebben bereikt, en vertrekt u daarna met matige snelheid (art. 40.3.2).
  • Een rood licht betekent stoppen vóór de stopstreep, ook bij een leeg kruispunt om 3 uur 's nachts. Door rood rijden is een overtreding van de derde graad.

Begrippen

Bevoegd persoon
Persoon uit art. 3 (vooral politie, en brandweer op de interventieplaats) wiens bevelen boven lichten, borden en regels gaan (art. 4 en 6.1).
Gemachtigd opzichter
Geen bevoegd persoon; helpt kinderen, scholieren, bejaarden of personen met een handicap oversteken en legt het verkeer stil met een schijf C3 (art. 40bis).
Voorrang van rechts
Zonder borden of lichten gaat de bestuurder die van rechts komt voor (art. 12.3.1).
Manoeuvre
Beweging waarbij u voorrang verleent aan iedereen: van rijstrook veranderen, oversteken, parkeren, uit een eigendom komen, keren, achteruitrijden (art. 12.4).
Ritsen
Bij sterk vertraagd verkeer vlak voor de versmalling beurtelings één bestuurder laten invoegen (art. 12bis).
Prioritair voertuig
Voertuig met blauw zwaailicht en sirene; met sirene maakt u de doorgang vrij (art. 37 en 38).

Veelgemaakte fouten

  • De gemachtigd opzichter een bevoegd persoon noemen. Hij is het niet, maar zijn aanwijzingen zijn wel bindend (art. 40bis).
  • Denken dat de bestuurder van rechts zijn voorrang verliest omdat hij even gestopt is of van een smallere weg komt.
  • Een fietser die van rechts uit een beperkt eenrichtingsstraat komt, de voorrang weigeren omdat de straat 'verboden' is voor auto's.
  • Te vroeg invoegen bij een wegversmalling, of ritsen toepassen terwijl het verkeer vlot rijdt.
  • Richting aangeven bij het oprijden van een rotonde fout rekenen: het is niet verplicht, maar het mag.
  • Denken dat fietsers op een oversteekplaats voor fietsers voorrang hebben zoals voetgangers op een zebrapad: u mag ze niet hinderen, maar zij moeten rekening houden met het naderende verkeer (art. 40ter en 43.3).
  • Art. 39 (bus laten vertrekken) ook toepassen buiten de bebouwde kom of op een autocar.

Check je begrip

Vraag 1 van 50 juist
Autosnelweg met wegenwerken, rechterrijstrook eindigt, verkeer in file.
Foto
Situatie: Autosnelweg met wegenwerken, rechterrijstrook eindigt, verkeer in file.

Door wegenwerken valt een rijstrook weg en het verkeer rijdt in file. Hoe moet het invoegen gebeuren?