Bestuurder, voertuig en omstandigheden
Rijden in bijzondere omstandigheden
Bij slecht zicht, een gladde weg of drukte past u uw lichten en snelheid aan. Achtermistlichten mogen enkel bij zicht onder ongeveer 100 m of felle regen. Bij pech signaleert u uw voertuig met de gevarendriehoek en draagt u op autosnelweg en autoweg een fluovest zodra u uitstapt. Voor hulpdiensten maakt u altijd onmiddellijk de weg vrij.
13 min lezen · 25 oefenvragen
Na deze les kan je
- De verlichting en snelheid aanpassen bij nacht, regen, mist, sneeuw en ijzel.
- Weten wanneer mistlichten mogen en wat de zichtgrens van 100 m betekent.
- Een slip, aquaplaning, onder- en overstuur herkennen en juist reageren; de regels voor spijkerbanden en smogalarm kennen.
- Veilig handelen bij zijwind, file (reddingsstrook, alarmknipperlichten bij filestaart), wegenwerken en in een tunnel.
- Bij pech het voertuig correct opstellen en signaleren: gevarendriehoek (30 m / 100 m), fluovest op autosnelweg en autoweg, slepen met een noodkoppeling.
- Correct reageren op prioritaire voertuigen met blauw zwaailicht en sirene.
Borden in deze les
Nacht en slecht zicht: de lichten
U rijdt met verlichting tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en ook overdag zodra u niet meer duidelijk kunt zien tot ongeveer 200 meter (art. 30). Vooraan gebruikt u de dimlichten of de grootlichten, achteraan brandt het rode licht. Dagrijlichten vervangen het dimlicht niet in het donker: achteraan brandt dan niets.
Grootlichten zijn handig op een donkere weg, maar u moet ze door dimlichten vervangen (art. 30.1, 1°):
- wanneer u een tegemoetkomende weggebruiker nadert, en meteen als iemand zijn lichten snel aan- en uitdoet om te zeggen dat hij verblind wordt;
- wanneer u een spoorvoertuig of een boot nadert waarvan de bestuurder verblind zou kunnen worden;
- wanneer u een ander voertuig volgt op minder dan 50 meter, behalve wanneer u inhaalt;
- wanneer de weg onafgebroken en voldoende verlicht is, zodat u ongeveer 100 meter ver duidelijk ziet. Dan volstaan de dimlichten.
In het donker rijdt u trager. Uw lichten reiken maar zo ver, en u moet altijd kunnen stoppen binnen de afstand die u overziet.
Mist: mistlichten en de grens van 100 m
Er zijn twee drempels. De eerste is de algemene lichtenregel: ziet u niet meer duidelijk tot ongeveer 200 meter, dan rijdt u met licht (art. 30). De tweede, ongeveer 100 meter, geldt voor de achtermistlichten.
Voormistlichten mogen bij mist, sneeuwval of felle regen, zonder vaste zichtgrens. Ze mogen de dim- of grootlichten vervangen of er samen mee branden (art. 30.1, 1°).
Achtermistlichten zijn strenger geregeld. U moet ze gebruiken bij mist of sneeuwval die het zicht verminderen tot minder dan ongeveer 100 m, en ook bij felle regen (art. 30.1, 2°). In alle andere omstandigheden zijn ze verboden. Ze verblinden namelijk de bestuurder achter u en verbergen uw remlichten.
Een vuistregel, geen wettelijke regel: de paaltjes langs de autosnelweg staan ongeveer 50 meter uit elkaar. Ziet u twee paaltjes niet meer, dan is het zicht waarschijnlijk kleiner dan 100 m. Rijd bij mist trager, houd extra afstand en volg niet blindelings de achterlichten van een ander voertuig. Zet de mistlichten uit zodra het zicht beter wordt.
Regen, sneeuw en ijzel
Nat wegdek verlengt uw remweg (ongeveer anderhalf keer), sneeuw en ijzel nog veel meer. Op ijs is de remweg een veelvoud van die op droog wegdek. U moet uw snelheid altijd aanpassen aan het weer en de staat van de weg (art. 10.1), ook als de toegelaten maximumsnelheid hoger ligt. De wegcode geeft geen vast getal voor slecht weer: u kiest zelf. De maximumsnelheid (buiten de bebouwde kom 70 in Vlaanderen en Brussel, 90 in Wallonië) is dus een bovengrens, en bij slecht weer is lager nodig.
- Rijd trager, houd een grotere afstand en rem en stuur voorzichtig en vroeg.
- Gebruik uw dimlichten en zorg dat ruiten en lichten schoon zijn. Ook overdag moet u bij regen of sneeuwval met licht rijden zodra u niet meer duidelijk ziet tot ongeveer 200 meter (art. 30).
- Bij ijzel en sneeuw trekt u zacht op, rijdt u in een hogere versnelling en vermijdt u plotse bewegingen.
- Gevoelige plaatsen zoals bruggen, bossen en schaduwrijke bochten vriezen het eerst dicht.
- Winterbanden op alle vier de wielen zodra het kouder is dan 7 °C; sneeuwkettingen alleen als er sneeuw of ijzel op de weg ligt.
Slippen, aquaplaning, spijkerbanden en smog
Een slip ontstaat wanneer de banden hun grip verliezen: door water, ijs, bladeren, te hard remmen of te snel een bocht nemen. Blijf altijd kijken en sturen naar waar u heen wilt, en maak geen bruuske bewegingen.
- Aquaplaning: de banden drijven op een waterfilm en het stuur wordt licht. Ga rustig van het gas, houd het stuur recht en rem niet hard. Onder 2 mm profieldiepte stijgt het risico al; de wettelijke grens is 1,6 mm.
- Onderstuur (de voorwielen schuiven naar buiten, de auto gaat rechtdoor in de bocht): gas los, niet hard remmen, het stuur iets terugdraaien tot de grip terugkomt.
- Overstuur (de achterkant breekt uit): kijk waar u heen wilt, stuur tegen, gas los en koppeling in.
- ABS voorkomt dat de wielen blokkeren: druk het rempedaal hard en volledig in en blijf sturen. De remweg wordt daardoor niet per se korter. ESP remt afzonderlijke wielen af om een slip te corrigeren.
Spijkerbanden mogen alleen van 1 november tot 31 maart, op voertuigen tot 3,5 ton. U rijdt dan hoogstens 90 km/u op autosnelwegen en wegen met 2x2 rijstroken en 60 km/u elders, met een plaat '60' achteraan (MB 28/9/1976).
Bij smogalarm wordt de snelheid tijdelijk verlaagd tot 90 km/u op de autosnelweg. Dat ziet u aan het bord C43 '90' met het onderbord 'SMOG' of aan de dynamische borden boven de weg.
Zijwind, file en wegenwerken
Zijwind duwt u plots opzij, vooral bij het verlaten van een beschutte zone zoals een brug, bos of tunnel. Houd het stuur met twee handen vast, vertraag en houd extra ruimte voor fietsers, motorrijders en voertuigen met een aanhangwagen of hoge opbouw. Ook bij het inhalen van een vrachtwagen kunt u een windstoot opzij duwen.
In de file vormt u een reddingsstrook (art. 9.8). Op een rijbaan met twee rijstroken gaat het verkeer links helemaal naar links en het verkeer rechts helemaal naar rechts. Bij meer dan twee rijstroken gaat de linkerrijstrook naar links en gaan alle andere rijstroken naar rechts. Vorm ze preventief, zodra het verkeer vertraagt, en niet pas wanneer de file stilstaat. De regel geldt ook op gewone wegen met twee of meer rijstroken in dezelfde richting. U wijkt daarvoor niet uit naar de pechstrook, de spitsstrook of de busstrook, en u rijdt zelf nooit op de reddingsstrook: die is voor de hulpdiensten.
Aan een filestaart waarschuwt u het verkeer achter u met de alarmknipperlichten. Die mogen enkel gebruikt worden om andere weggebruikers te wijzen op een dreigend gevaar (art. 32bis). Zet ze uit zodra de file weer rijdt of de gevaarlijke situatie voorbij is.
Bij wegenwerken volgt u de borden en afbakeningen, vertraagt u tijdig en houdt u afstand van werknemers en machines. Verwacht versmalde of verschoven rijstroken en rijd niet in de afgebakende zone. Oranje markeringen vervangen daar de witte (art. 73). Let op de waarschuwingsborden (werken, versmalde rijbaan) en op de plaatselijke snelheidsbeperking: die geldt als maximum en is bij slecht weer of drukte nog te hoog.
- Bij een versmalling rijdt u tijdig in uw rijstrook en blijft u rijden tot het einde van de versmalling. Voertuigen op beide rijstroken rijden door tot daar en voegen dan om beurten samen (ritsen).
- Gebruik de afgesloten strook of het afgebakende gedeelte nooit om voorbij te steken.
Tunnels
Het bord F8 kondigt een tunnel van meer dan 500 meter aan; een onderbord geeft de lengte en eventueel de naam (art. 71). Zet vóór de tunnel uw dimlichten aan en uw zonnebril af: de wegcode legt geen apart tunnellicht op (art. 30 kent alleen de avond, de nacht en zicht onder 200 m), maar op het examen is dimlicht in de tunnel het verwachte antwoord. Houd extra afstand, u kunt er minder makkelijk uitwijken.
Stilstaan en parkeren op de rijbaan is verboden in tunnels en onderbruggingen, en behoudens plaatselijke regeling ook onder bruggen (art. 24, 5°). Keren en achteruitrijden zijn in een tunnel op zich niet verboden: dat verbod geldt op de autosnelweg en de autoweg (art. 21.4 en 22.2), dus ook in de tunnels daar.
Bij pech of brand in een tunnel:
- Stop zo ver mogelijk rechts, zet de alarmknipperlichten aan en zet de motor af.
- Laat de sleutel in het contact zitten, zodat de hulpdiensten uw wagen kunnen verplaatsen.
- Verlaat de tunnel te voet via de dichtstbijzijnde nooduitgang, weg van de rook.
- Gebruik de noodtelefoon in de tunnel: zo weet de tunnelbeheerder meteen waar u bent.
Pech: gevarendriehoek, fluovest en slepen
Een voertuig met pech stelt u op zoals een geparkeerd voertuig (art. 51.1). Kan het niet verplaatst worden, of enkel naar een plaats waar stilstaan en parkeren verboden is, dan signaleert u het op afstand met de gevarendriehoek. U mag daarbovenop alle richtingaanwijzers tegelijk laten knipperen of een draagbaar oranjegeel knipperlicht plaatsen. Ook een voertuig met defecte lichten dat niet van op ongeveer 100 m te zien is, signaleert u zo.
De gevarendriehoek plaatst u rechtop, vóór het voertuig gezien vanuit het naderende verkeer, op minstens 30 m op gewone wegen en minstens 100 m op de autosnelweg, zodanig dat hij van op ongeveer 50 m zichtbaar is (art. 51.2). In de bebouwde kom, waar 30 m vaak niet haalbaar is, mag hij dichterbij en eventueel op het voertuig zelf staan. Een verbod om hem daar op het dak te zetten bestaat niet, maar het is ook geen verplichting.
Op de autosnelweg en de autoweg draagt u een retroreflecterend veiligheidsvest (fluovest) zodra u uitstapt op een plaats waar u niet mag stilstaan of parkeren, dus ook op de pechstrook (art. 51.4). Het vest moet aan boord zijn van elke auto (art. 70bis KB 15/3/1968), en het hoort binnen handbereik, niet in de koffer. Rijd bij pech zo ver mogelijk naar rechts op de pechstrook of naar een vluchthaven, laat alle inzittenden langs de rechterkant uitstappen, wacht achter de vangrail en bel 112. Blijf nooit in of vlak naast de wagen staan.
Slepen met een noodkoppeling (kabel of stang) is verboden op de autosnelweg en de autoweg (art. 21.4, 5° en 22.2). Op andere wegen mag het alleen bij overmacht, met hoogstens 25 km/u en enkel tot de dichtstbijzijnde plaats van herstelling (art. 49.5). Op de autosnelweg laat u zich dus takelen.
Prioritaire voertuigen
Prioritaire voertuigen zoals ambulances, brandweer en politie hebben blauwe knipperlichten en een speciaal geluidstoestel (art. 37). Zodra de sirene het naderen aankondigt, moet u onmiddellijk de doorgang vrijmaken, voorrang verlenen en zo nodig stoppen (art. 38).
- In de praktijk rijdt u zo mogelijk naar rechts en stopt u als dat nodig is. Maak ruimte in plaats van te blijven rijden.
- Rijd niet door een rood licht of over een doorgetrokken lijn om plaats te maken. Blijft u staan en laat het voertuig u voorbijrijden (het mag zelf met matige snelheid door rood, art. 37), tenzij u zonder enig gevaar en zonder een overtreding kunt uitwijken.
- Rijdt het voertuig enkel met blauwe lichten en zonder sirene, dan is de verplichting van art. 38 er formeel niet. Het is wel een advies om extra waakzaam te zijn en indien mogelijk plaats te maken.
- In de praktijk volgt u de hulpdienst niet op de voet en blijft u op afstand.
Bij een sirene is de regel altijd: onmiddellijk de doorgang vrijmaken, voorrang verlenen en zo nodig stoppen (art. 38).
Begrippen
- Reddingsstrook
- De vrije ruimte tussen de linkerrijstrook en de andere rijstroken die u bij filevorming vormt voor de hulpdiensten (art. 2.70 en 9.8).
- Achtermistlicht
- Fel rood licht achteraan, enkel bij mist of sneeuwval met zicht onder ongeveer 100 m of bij felle regen (art. 30.1, 2°).
- Prioritair voertuig
- Voertuig van hulpdiensten met blauwe knipperlichten en sirene op dringende opdracht.
- Aquaplaning
- Verlies van grip doordat de banden op een waterfilm drijven; gas los, stuur recht, niet remmen.
- Onderstuur
- De voorwielen schuiven naar buiten en de auto gaat rechtdoor in de bocht; gas los, niet hard remmen.
- Overstuur
- De achterkant van de auto breekt uit; kijk waar u heen wilt, stuur tegen, gas los en koppeling in.
- Gevarendriehoek
- Verplichte driehoek die een defect voertuig op afstand signaleert: minstens 30 m op gewone wegen, 100 m op de autosnelweg, zichtbaar van op 50 m (art. 51.2).
- Fluovest
- Retroreflecterend veiligheidsvest, verplicht aan boord en te dragen op autosnelweg en autoweg zodra u bij pech uitstapt (art. 51.4).
- Noodkoppeling
- Kabel of stang om een voertuig bij overmacht te slepen, max. 25 km/u en verboden op autosnelweg en autoweg (art. 49.5, 21.4).
- Bord F8
- Aanwijzingsbord voor een tunnel van meer dan 500 m; het onderbord geeft de lengte (art. 71).
Veelgemaakte fouten
- Achtermistlichten laten branden terwijl het zicht beter is dan ongeveer 100 m.
- Grootlichten blijven gebruiken bij tegenliggers of vlak achter een voorligger.
- Rijden op de limiet bij regen of mist, terwijl de snelheid moet aansluiten bij zicht en wegdek.
- Hard remmen of bruusk sturen bij aquaplaning of in een slip.
- De reddingsstrook zelf gebruiken om vooruit te raken, of ze pas vormen als de file al stilstaat.
- Alarmlichten aanlaten nadat de file weer rijdt.
- De gevarendriehoek op de autosnelweg op 30 m zetten: daar is het minstens 100 m.
- Het fluovest pas aantrekken na het uitstappen, of denken dat het enkel buiten de bebouwde kom verplicht is: het gaat om autosnelweg en autoweg.
- Bij brand in een tunnel de sleutel meenemen of in de auto blijven wachten.
- Op de autosnelweg zelf slepen met een kabel in plaats van een takelwagen te bellen.
Check je begrip

Een ambulance met blauwe knipperlichten en sirene nadert van achteren op uw rijstrook. Wat doet u?
Zware fout: een fout antwoord kost 5 punten