← Theorie

Rijbewijs A · les 9 van 11

Terreinproef: wegrijden, slalom, lussen en stapvoets

Het terreinexamen bestaat uit 10 manoeuvres. Deze les behandelt de volgorde, het wegrijden uit een vak, de slalom, de lussen en het stapvoets rijden, met de typische fouten.

3 min lezen · 9 checkvragen

Na deze les kan je

  • De volgorde van de 10 manoeuvres van het terreinexamen opnoemen.
  • Wegrijden uit een vak, slalom, lussen en stapvoets rijden uitvoeren.
  • De regel van de tweede poging en de typische fouten kennen.

De 10 manoeuvres in volgorde

Het terreinexamen verloopt in deze volgorde.

  • 1. Voorzorgsmaatregelen bij het afstappen
  • 2. Voorafgaande controles
  • 3. Achterwaarts parkeren in een parkeervak
  • 4. Wegrijden uit een parkeervak
  • 5. Slalom
  • 6. In lussen rijden
  • 7. Bocht, uitwijken en precisieremmen
  • 8. Stapvoets rijden
  • 9. S-bocht
  • 10. Bocht, versnellen en noodstop

Manoeuvres 1 tot 3 voert u uit met de motor uit. Manoeuvres 4 tot 10 doet u in één rit, zonder de voeten op de grond te zetten, behalve na het precisieremmen en de noodstop.

De tweede poging

Voert u een van de manoeuvres 3 tot 10 onvoldoende uit, dan krijgt u een tweede poging. U begint onmiddellijk opnieuw met de reeks van 3 tot 10. Slaagt u ook dan niet, dan is het terreinexamen niet geslaagd en moet u op een andere dag opnieuw examen doen. Na twee mislukkingen volgt u minstens 2 uur extra les.

Wegrijden uit een vak (4)

U vertrekt uit het parkeervak en neemt een rechte hoek. Volgens Touring rijdt u daarna 7 meter rechtdoor, met beide voeten op de steunen zodra u het vak verlaat. Zorg voor een rustige koppeling: niet te veel gas, niet te snel loslaten, kijk naar waar u naartoe wilt.

Slalom (5) en lussen (6)

In de slalom rijdt u in een slingerende lijn tussen kegels. Volgens Touring zijn dat vijf kegels. Rijd gelijkmatig, hel de motor mee en kijk naar de volgende kegel. Raakt u een kegel, dan is dat een fout.

Bij de lussen rijdt u een acht rond twee kegels in het midden. Volgens Touring doet u dat twee keer. Een lus vraagt dat u de motor steeds naar de andere kant laat hellen. Hou daarbij een rustige snelheid en kijk ver rond.

Stapvoets rijden (8)

U rijdt zeer langzaam door een smalle doorgang. Volgens Touring mag uw voorwiel pas na minstens 12 seconden over de uitgang. Dat vraagt het koppelingspunt: koppeling half, achterrem licht aangetrokken, wat gas en de blik ver vooruit. Zet de voeten niet neer.

Wie te snel rijdt, haalt de tijd niet. Wie te traag rijdt, valt.

Typische fouten

  • Een kegel raken.
  • Een voet op de grond zetten tijdens manoeuvres 4 tot 10.
  • Te snel rijden in de slalom of de S-bocht.
  • Naar de kegel kijken in plaats van naar de uitgang.
  • Te weinig tijd nemen bij het stapvoets rijden.

Oefen elke manoeuvre afzonderlijk en daarna als reeks. Vraag uw rijschool om de afmetingen van het examenterrein.

Begrippen

Slalom
Slingerende lijn tussen een rij kegels.
Lussen
Rijden in de vorm van een acht rond twee kegels.
Stapvoets rijden
Zeer langzaam rijden, in het examen minstens 12 seconden door de doorgang.
Tweede poging
Nieuwe poging voor manoeuvres 3 tot 10 bij een onvoldoende.

Veelgemaakte fouten

  • In de slalom te snel rijden.
  • Bij het stapvoets rijden de voeten neerzetten.
  • De koppeling te snel loslaten bij het wegrijden.
  • De tweede poging niet gebruiken omdat u denkt dat u al verloren hebt.

Check je begrip

Terreinproef: wegrijden, slalom, lussen en stapvoetsVraag 1 / 5
Wat is een fout in de slalom?
Foto

Wat is een fout in de slalom?