Rijbewijs A1 · les 8 van 10
Bochten, S-bocht en uitwijken
Een motor neemt een bocht door te hellen. Dat vraagt techniek: de juiste snelheid, de blik ver vooruit en een soepele bediening. Deze les geeft de bochtentechniek en de manoeuvres bocht, uitwijken en S-bocht.
3 min lezen · 10 checkvragen
Na deze les kan je
- De bochtentechniek toepassen: remmen, kijken, sturen, versnellen.
- De manoeuvres bocht, uitwijken en S-bocht van het terreinexamen beschrijven.
- Weten hoe tegensturen werkt.
De vier fasen van een bocht
Neem een bocht in vier stappen.
- Remmen: pas uw snelheid aan vóór de bocht, rechtop en met voor- en achterrem.
- Kijken: draai uw hoofd naar de uitgang van de bocht en kijk zo ver mogelijk.
- Sturen: laat de motor hellen en houd een constante snelheid met licht gas.
- Versnellen: geef geleidelijk meer gas als u de uitgang ziet.
In een bocht blijft u niet remmen en niet schokkerig gas geven: dat verstoort het evenwicht. Een bocht is nooit een plaats om hard te remmen.
Tegensturen
Bij snelheden boven ongeveer 30 km/u stuurt u een motor in de bocht door het stuur even tegen te duwen. Wilt u naar links hellen, duw dan het linkerstuur naar voren. De motor helt dan naar links. Dat heet tegensturen. Het gebeurt vaak onbewust, maar wie het bewust doet, kan sneller en veiliger van bocht wisselen.
Bocht en uitwijken (manoeuvre 7)
Manoeuvre 7 bestaat uit een bocht, een obstakel ontwijken en precisieremmen. Volgens Vlaanderen neemt u de bocht met 30 km/u en wijkt u uit met 50 km/u. Volgens Touring is dat minstens 30 km/u in de bocht en minstens 50 km/u bij het ontwijken (45 km/u op een nat wegdek). Volgens Touring wijkt u daarbij uit naar links.
Uitwijken doet u in één vlotte beweging: kijk naar de vrije ruimte, duw het stuur kort naar die kant en keer terug naar uw spoor. Kijk niet naar het obstakel.
De S-bocht (manoeuvre 9)
De S-bocht gaat door drie poorten in de vorm van een S. Rijd rustig, kijk naar de volgende poort en rijd een vloeiende lijn. De kegels raken is een fout. Wie te snel rijdt, raakt de kegels; wie te traag rijdt, valt of zet de voet neer. Zoek dus een rustig, gelijkmatig tempo.
Bocht en versnellen (manoeuvre 10)
Manoeuvre 10 begint met een bocht van 30 km/u. Daarna versnelt u tot minstens 50 km/u en remt u plots over de kortste afstand. Houd de motor recht tijdens het versnellen en rem pas als de motor rechtop staat. Het ABS mag aanslaan.
In het verkeer
In het echte verkeer geldt dezelfde techniek. Kijk ver vooruit. Rem vóór de bocht. Kies uw lijn zo dat u de uitgang goed kunt zien. Rijd niet op de middenstreep en bedenk dat er tegenliggers kunnen zijn. Op een nat wegdek, op zand of op bladeren helt u minder en rijdt u trager.
Begrippen
- Tegensturen
- Het stuur even in de richting van de bocht duwen om de motor te laten hellen.
- Lijn
- Het spoor dat u door de bocht rijdt.
- Uitwijken
- Een obstakel snel ontwijken en terugkeren in uw spoor.
- Helling
- De hoek waarmee de motor in de bocht overhelt.
Veelgemaakte fouten
- Te laat remmen en dan in de bocht remmen.
- Naar het obstakel kijken en het dan raken.
- Plots gas loslaten in de bocht.
- In de S-bocht te traag rijden en daardoor het evenwicht verliezen.
Check je begrip

Met welke snelheid neemt u de bocht van manoeuvre 7 volgens Vlaanderen?
