Rijbewijs A2 · les 6 van 11
Houding, evenwicht en kijktechniek
Alles wat u op de motor doet, begint bij uw houding en uw blik. Op het examen beoordeelt de examinator uw zitpositie, uw evenwicht, het koppelingspunt en uw kijktechniek. Deze les legt die basis.
4 min lezen · 10 checkvragen
Na deze les kan je
- Een correcte zithouding met de voeten op de voetsteunen aannemen.
- Het koppelingspunt vinden en gebruiken om stapvoets te rijden.
- De kijktechniek toepassen: kijk waar u naartoe wilt.
Wat de examinator beoordeelt
Tijdens de manoeuvres kijkt de examinator of u onder meer:
- uw uitrusting correct draagt;
- de bedieningen kunt aanwijzen en zonder aarzelen gebruikt;
- de kijktechniek toepast;
- de massa van de motor beheerst, rekening houdt met de wielbasis en de afmetingen inschat;
- een correcte zithouding hebt;
- de motor echt beheerst: koppelingspunt, bediening, evenwicht, remkracht, aangepaste snelheid en trajectkeuze.
Wie deze basis beheerst, rijdt de manoeuvres bijna vanzelf.
De zithouding
Zit rechtop, met een ontspannen rug en licht gebogen ellebogen. Uw handen liggen losjes op het stuur en uw knieën sluiten tegen de tank. Uw voeten staan op de voetsteunen, met de tenen naar voren. Tijdens de reeks manoeuvres van 4 tot 10 blijven beide voeten op de steunen; de grond raken mag pas na het precisieremmen en de noodstop, na volledige stilstand.
Een stijve houding maakt het sturen moeilijk. Knijp dus niet in het stuur en spreid uw gewicht: uw benen dragen, niet uw armen.
Evenwicht en koppelingspunt
Hoe trager u rijdt, hoe moeilijker u het evenwicht bewaart. Bij stapvoets rijden werkt u daarom met het koppelingspunt: het moment waarop de koppeling net begint te pakken. Laat de koppeling langzaam los tot de motor voortrolt, en regel de snelheid met de achterrem en iets gas.
De regel bij stapvoets rijden: koppeling half, achterrem licht aangetrokken, gas licht open en uw blik ver vooruit. Zo kunt u zeer traag rijden zonder om te vallen. Wie de koppeling volledig loslaat, springt vooruit; wie de koppeling volledig intrekt, verliest het evenwicht.
Kijken waar u naartoe wilt
De belangrijkste regel van motorrijden is: waar u naartoe kijkt, gaat u naartoe. Wie naar de kegel kijkt, raakt de kegel. Kijk daarom ver vooruit, naar de uitgang van de bocht of de plaats waar u wilt zijn, en niet naar de grond voor uw wiel.
- In een bocht draait u uw hoofd mee in de richting van de bocht.
- Bij een slalom kijkt u naar de volgende kegel, niet naar de dichtstbijzijnde.
- Bij het uitwijken kijkt u naar de vrije ruimte, niet naar het obstakel.
Kijk ook vaak in de spiegels en over uw schouder, vooral voor u van rijstrook wisselt.
Gewicht en wielbasis
Een motor weegt 100 tot 250 kg of meer. Hij valt om als u hem niet in evenwicht houdt. Houd rekening met de wielbasis: de afstand tussen voor- en achterwiel. Een lange motor heeft een grotere draaicirkel. Op het examen kunt u merken dat dezelfde manoeuvre met een schoolmotor anders aanvoelt dan met uw eigen motor.
Begrippen
- Koppelingspunt
- Het punt waarop de koppeling net begint te pakken en de motor voortrolt.
- Kijktechniek
- Uw blik ver vooruit en in de richting waarin u wilt rijden.
- Wielbasis
- Afstand tussen het voorwiel en het achterwiel.
- Voetsteunen
- Steunen waarop uw voeten staan tijdens het rijden.
Veelgemaakte fouten
- Naar de kegel of de grond kijken in plaats van naar de uitgang.
- De koppeling te snel loslaten bij het wegrijden.
- Te hard in het stuur knijpen.
- Voeten naar de grond brengen tijdens de manoeuvres 4 tot 10, behalve na het precisieremmen en de noodstop.
Check je begrip
Hoe zit u het best op de motor?